Projecteren van draagbare en verrijdbare blustoestellen
In deze norm leest u waar, hoe en hoeveel blusapparaten in bepaalde ruimtes en/of gebouwen geplaatst moeten worden voor een optimale beveiliging.
Basisbeveiliging
- Verdeel het te beveiligen gebouw in zones waarin per zone één belangrijkste brandklasse en activiteit te onderscheiden is.
- Toegelaten blustoestellen voor basisbeveiliging: 6 - 9 - 12 kg poeder / 6 - 9 liter schuim
- Per zone blustoestellen projecteren, afhankelijk van de inhoud, vloeroppervlak en gebruiksfunctie, volgens tabel.
- Een brandslanghaspel telt als één basisbeveiligingseenheid
- Per zone minimaal één blustoestel
- Maximale loopafstand tot een blustoestel: 20 meter.
Aanvullende beveiliging
- Beveiliging van bijzondere risico’s zoals machines, computerruimtes, schakelkasten e.d.
- Alle typen blustoestellen toegelaten, dus ook kleinere blussers en koolzuursneeuwblussers
- Maximale loopafstand tot een blustoestel: 5 meter.
Verrijdbare blustoestellen
- Toepassing: grote ruimten, hoge ruimten, buitenopslag
- Toegelaten verrijdbare blustoestellen:
- 50 kg poeder
- 45 0f 50 liter schuim
- Eén bluswagen vervangt:
- 8 draagbare blustoestellen met een inhoud van 6 kg of 6 liter
- 5 draagbare blustoestellen met een inhoud van 9 kg of 12 kg of 9 liter
- Maximale loopafstand is 30 meter.
Plaatsen van blustoestellen
- Met pictogram volgens NEN 3011
- Montagehoogte:
- maximaal 1,5 m voor blustoestellen van maximaal 4 kg of 3 liter inhoud
- maximaal 1,0 m voor blustoestellen met meer dan 5 kg of 6 liter inhoud
- Bij koel- en vriescellen: buiten de gekoelde ruimte bij elke toegangsdeur
- Denk aan passende beschermhoezen- en kasten.